Beslissing 250: Dropshipping-Koop
STICHTING DIGIDISPUUT
Enschede
BESLISSING VAN DE GESCHILLENCOMMISSIE VAN 14 NOVEMBER 2025
In de zaak van
- Eiser
in haar hoedanigheid van lasthebber van eiser,
lastgever, hierna ook eiser,
tegen:
- Verweerder, niet verschenen.
| Inhoud | |
| Onderwerp: | Overweging(en): |
| Het procesverloop | 1.1 e.v. |
| De samenvatting van de beslissing van de geschillencommissie | 2.1 e.v. |
| De vaststaande feiten | 3.1 e.v. |
| Het geschil | 4.1 e.v. |
| De bevoegdheid van de geschillencommissie | 5.1 e.v. |
| De omvang van de bevoegdheid van de geschillencommissie | 6.1 e.v. |
| De eis van Eiser | 7.1 e.v. |
| De tegeneis van Verweerder | 8.1 e.v. |
| Overwegingen ten overvloede | 9.1 e.v. |
| De contractuele boete | 10.1 e.v. |
| De kosten van deze procedure | 11.1 e.v. |
| De beslissing | 12.1 |
- HET PROCESVERLOOP
- Het verloop van deze procedure volgt uit:
- de memorie van eis in conventie met bijlagen;
- de memorie van antwoord in conventie zonder bijlagen;
- de memorie van eis in reconventie zonder bijlagen;
- de memorie van antwoord in reconventie met bijlagen; – de mondelinge behandeling op 14 november 2025.
- De mondelinge behandeling werd bijgewoond door Eiser. verweerder was niet aanwezig. De geschillencommissie probeerde Verweerder telefonisch te bereiken, maar dat lukte niet. Verweerder werd via WhatsApp in de gelegenheid gesteld om de mondelinge behandeling alsnog bij te wonen. Verweerder liet na om te reageren. Van het verhandelde bij de mondelinge behandeling werden aantekeningen gemaakt.
- Ten slotte werd de beslissing bepaald.
- DE SAMENVATTING VAN DE BESLISSING VAN DE GESCHILLENCOMMISSIE
- Eiser kocht een autoradio van verweerder. Dat deed hij via de webshop van Verweerder. De geschillencommissie zal verklaren dat de koop is vernietigd en beslissen dat Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van (het restant van) de koopprijs. Daartoe is redengevend dat moet worden aangenomen dat Verweerder niet voldeed aan de (toepasselijke) essentiële informatieplichten. Uit de door Verweerder gegeven informatie kan niet worden afgeleid dat ze voldeed aan de informatieplichten die zijn voorzien in artikel 19 van de Verordening Algemene Productveiligheid. Aan één of meer schending(en) daarvan zal evenwel, in het concrete geval, geen maatregel worden verbonden.
- De geschillencommissie zal ten slotte beslissen dat Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een contractuele boete groot € 5,00 per dag(deel) dat ze de veroordeling tot terugbetaling van (het restant van) de koopprijs niet tijdig nakomt.
- DE VASTSTAANDE FEITEN
3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, zal de geschillencommissie uitgaan van de volgende feiten.
3.2 Verweerder treedt op als lasthebber van Eiser. Dat vertelde ze ook aan Verweerder. Verweerder werd door Eiser gelast om deze procedure op eigen naam, maar ten behoeve van Eiser aanhangig te maken en (verder) te behandelen.
3.3 Eiser kocht een autoradio van Verweerder. Dat deed hij via de webshop van Verweerder. De koopprijs bedroeg € 189,90. De autoradio was bestemd als geschenk voor de dochter van Eiser. Verweerder verkoopt producten door dropshipping.[1] De producten worden rechtstreeks vanuit China aan de consumenten afgeleverd. De autoradio is dan ook op die manier aan Eiser afgeleverd.
3.4 Eiser was niet tevreden met de autoradio. Een door Eiser aangezocht automonteur vertelde dat de autoradio ‘rommel is, alsof de autoradio bij AliExpress vandaan kwam’. Verweerder reageerde niet op herhaalde verzoeken van Eiser om het retouradres te geven. Daarom zag Eiser zich genoodzaakt om het retouradres zelf te achterhalen. Een medewerker van de afdeling Buitenlandse Zendingen van PostNL vertelde Eiser dat de autoradio afkomstig was uit China en kan worden geretourneerd via de postbus van AliExpress. Eiser deed de autoradio daar afleveren.
3.5 Op 5 november 2025 betaalde Verweerder een bedrag groot € 149,95 terug aan Eiser. Het resterend bedrag groot € 39,95 werd op heden niet terugbetaald.
4. HET GESCHIL
4.1 De geschillencommissie begrijpt de stellingen van Verweerder aldus dat Eiser de koop wenst te annuleren, omdat hij de koop niet zou hebben gesloten als hij zou hebben geweten dat de autoradio rechtstreeks vanuit China aan hem zou worden afgeleverd. Een automonteur vertelde dat de autoradio ‘rommel is, alsof de autoradio bij AliExpress vandaan kwam’. Eiser vertelde dat Verweerder niet reageerde op de herhaalde verzoeken van Eiser om het retouradres te geven. Daarom zag Eiser zich genoodzaakt om het retouradres zelf te achterhalen. Een medewerker van de afdeling Buitenlandse Zendingen van PostNL vertelde Eiser dat de autoradio afkomstig was uit China en kan worden geretourneerd via de postbus van AliExpress. Eiser deed de autoradio daar afleveren. Eiser vordert dat de webshop wordt veroordeeld tot terugbetaling van (het restant van) de koopprijs.
4.2 Verweerder vindt dat de vordering van eiser moet worden afgewezen. Verweerder liet de stellingen van Eiser onbetwist, maar wenst alleen over te gaan tot terugbetaling van de koopprijs, nadat Eiser bewijst dat de autoradio aan Verweerder is teruggegeven. Volgens Verweerder is het door Eiser gevonden retouradres onjuist.
4.3 Verweerder stelde ook een tegeneis in. Verweerder vordert dat de geschillencommissie verklaart dat ze de koopprijs alleen moet terugbetalen, nadat Eiser bewijst dat de autoradio aan Verweerder is teruggegeven. Verweerder vordert ook dat Eiser wordt veroordeeld tot vergoeding van administratieve en rechtskundige kosten.
4.4 De stellingen van partijen worden hierna, voor zover nodig, verder besproken.
5. DE BEVOEGDHEID VAN DE GESCHILLENCOMMISSIE
5.1 Voordat de geschillencommissie het geschil (inhoudelijk) kan behandelen en beslissen, moet ze beoordelen of ze daartoe bevoegd is. Als dat het geval is, moet de geschillencommissie vervolgens de omvang van de bevoegdheid vaststellen.[1]
5.2 De geschillencommissie gebruikt een procesreglement. Eiser stemde in met de toepasselijkheid van het procesreglement. De geschillencommissie is bekend met de overeenkomst tussen WebwinkelKeur B.V. in Enschede en Verweerder . Bij het sluiten van die overeenkomst stemde ook Verweerder in met de toepasselijkheid van het procesreglement.
5.3 Op grond van artikel 5 van het procesreglement kan de geschillencommissie het geschil alleen behandelen, als hetzelve verband houdt met een consumentenkoop in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek die een overeenkomst op afstand is in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder e, van het Burgerlijk Wetboek of een overeenkomst buiten de verkoopruimte in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder f, van het Burgerlijk Wetboek. De vordering mag geen lagere waarde vertegenwoordigen dan € 25,00 en geen hogere waarde dan € 25.000,00.
5.4 Eiser stelde onbetwist dat Eiser de autoradio bestelde via de webshop van Verweerder. De autoradio was bestemd als geschenk voor zijn dochter. Daarom stelt de geschillencommissie vast dat de koop een consumentenkoop is in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek die bovendien op afstand is gesloten als bedoeld in artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder e, van het Burgerlijk Wetboek. De vordering vertegenwoordigt geen lagere waarde dan € 25,00 en geen hogere waarde dan € 25.000,00. Daarom is de geschillencommissie in zoverre bevoegd om het geschil (inhoudelijk) te behandelen en te beslissen.
5.5 De geschillencommissie beslist geschillen door onzuiver bindend advies. Dat betekent dat de beslissing van de geschillencommissie een vaststellingsovereenkomst zal zijn, waaraan partijen zullen zijn gebonden. Daarom moet de geschillencommissie ook vaststellen of partijen vrijwillig en duidelijk afstand deden van hun recht op toegang tot de overheidsrechter en kozen voor de beslissing van het geschil door de geschillencommissie.[1]
5.6 De beslissing van de geschillencommissie treedt in essentie in de plaats van een beslissing van de overheidsrechter en kan alleen in bijzondere gevallen door de overheidsrechter worden vernietigd. Tegen de beslissing van de geschillencommissie kan geen hoger beroep worden ingesteld. De geschillencommissie legde de verschillen en overeenkomsten uit tussen onzuiver bindend advies en overheidsrechtspraak. De geschillencommissie vertelde Eiser dat ze niet verplicht is om te kiezen voor de beslissing van het geschil door de geschillencommissie. Eiser koos er niettemin voor om afstand te doen van zijn recht op toegang tot de overheidsrechter en te kiezen voor de beslissing van het geschil door de geschillencommissie.
5.7 Zoals gezegd is de geschillencommissie bekend met de overeenkomst tussen WebwinkelKeur B.V. in Enschede en Verweerder. Bij het sluiten van die overeenkomst koos Verweerder ervoor om afstand te doen van zijn recht op toegang tot de overheidsrechter en te kiezen voor de beslissing van geschillen, zoals het onderhavig geschil, door de geschillencommissie. Daarom is de geschillencommissie bevoegd om het geschil (inhoudelijk) te behandelen en te beslissen.
6. DE OMVANG VAN DE BEVOEGDHEID VAN DE GESCHILLENCOMMISSIE
6.1 Op grond van artikel 6 van het procesreglement moet de geschillencommissie het geschil behandelen en beslissen op basis van de geldende wet- en regelgeving. De geschillencommissie past ook de algemene beginselen voor procedures en de bewijsregels toe die zijn vastgelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat draagt bij aan de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van rechtszoekenden.[1] Ongelijke (inhoudelijke) beslissingen in gelijke of vergelijkbare gevallen door de toepassing van verschillende procesrechtelijke regels kunnen door rechtszoekenden onrechtvaardig worden gevonden.[1]
6.2 De geschillencommissie moet zoeken naar een zo goed mogelijke oplossing van het geschil. Daarbij past een ruime bevoegdheid om met partijen mee te denken. De geschillencommissie mag bijvoorbeeld een beslissing nemen die afwijkt van hetgeen partijen over en weer vorderen.[2] De geschillencommissie moet ten slotte hoor en wederhoor toepassen, zoals de overheidsrechter dat ook zou doen.[3] De geschillencommissie zal nu de eis van Eiser en de tegeneis van Verweerder (inhoudelijk) behandelen en beslissen.
7. DE EIS VAN Eiser
7.1 Eiser vordert dat Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van (het restant van) de koopprijs. De geschillencommissie komt tot de volgende beoordeling.
7.2 De geschillencommissie stelde hierboven vast dat de koop op afstand is gesloten als bedoeld in artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder e, van het Burgerlijk Wetboek. In voorkomend geval moet de overheidsrechter beoordelen of Verweerder voldeed aan de (toepasselijke) essentiële informatieplichten die zijn voorzien in Afdeling 6.5.2b van het Burgerlijk Wetboek en aan één of meer schending(en) daarvan in beginsel een passende maatregel verbinden, die bijvoorbeeld kan bestaan in de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de koop.[1] Die verplichtingen gelden ook voor de geschillencommissie (vgl. artikel 10, eerste lid, van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten).9
7.3 Eiser vertelde dat Verweerder producten verkoopt door dropshipping. De producten worden rechtstreeks vanuit China aan de consumenten afgeleverd. De autoradio is dan ook op die manier aan deEiser afgeleverd. Dat volgt duidelijk uit de wijze waarop de autoradio was verpakt, maar ook uit de hiervoor besproken uitingen van een door Eiser aangezocht automonteur en een medewerker van de afdeling Buitenlandse Zendingen van PostNL, aldus nog steeds Eiser. Dat werd door Verweerder niet betwist en staat dus vast.
7.4 Op grond van artikel 6:230m, eerste lid, aanhef en onder g en h, van het Burgerlijk Wetboek moest Verweerder, voor het sluiten van de koop, op een duidelijke en begrijpelijke manier aan Eiser vertellen hoe de autoradio aan hem zou worden afgeleverd en op welke wijze de koop zou kunnen worden ontbonden met toepassing van het herroepingsrecht. Daarom moest Verweerder, gelet op de uitleg van de Autoriteit Consument en Markt,[1] dat Verweerder, voor het sluiten van de koop, op een duidelijke en begrijpelijke manier aan Eiser vertellen dat de autoradio rechtstreeks vanuit China aan hem zou worden afgeleverd en naar welk adres de autoradio zou kunnen worden verzonden na de ontbinding van de koop met toepassing van het herroepingsrecht. De Autoriteit Consument en Markt overwoog onder meer het volgende:
“7. Op grond van artikel 6:230m, eerste lid, onder g, BW moet de handelaar op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie verstrekken aan de consument over de wijze van levering voordat de consument een overeenkomst sluit. Dit houdt in dat GT Ecom voorafgaand aan het sluiten van een koopovereenkomst aan de consument kenbaar dient te maken dat het aan te schaffen product rechtstreeks door een fabrikant uit China wordt geleverd. (…)
- Artikel 6:230m, eerste lid, onder h, BW bepaalt dat de handelaar de consument voorafgaand aan het aan het sluiten van een overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze dient te informeren over het uitoefenen van het ontbindingsrecht. Dit houdt onder andere in dat GT Ecom de consument dient in te lichten over het te gebruiken retouradres.(…)
- GT Ecom heeft een eigen verantwoordelijkheid om de geldende wet- en regelgeving na te leven. De twee overtredingen zijn GT Ecom volledig te verwijten.14 In het kader van de beoordeling van de ernst van de overtreding is het van belang dat de consument bij een overeenkomst op afstand een informatieachterstand heeft. De handelaar is daarom verplicht informatie te verstrekken aan de consument zodat deze een weloverwogen besluit kan nemen over de (online) aankoop van het product. Het niet naleven van de informatieverplichtingen uit artikel 6:230m BW kan schade toebrengen bij het doen van online aankopen aan individuele consumenten maar ook aan het consumentenvertrouwen. Dit geldt temeer als een handelaar gebruik maakt van dropshipping. Juist dan is het voor de consument van wezenlijk belang om te weten hoe zijn product aan hem wordt toegezonden en hoe hij het product kan retourneren. Hier kunnen immers een aanzienlijk langere levertijd en/of hogere kosten mee gemoeid zijn. De ACM weegt mee dat de consument gedurende het bestelproces in het geheel niet werd ingelicht over het retouradres door GT Ecom en dat de informatie over de wijze van levering slechts zichtbaar was als de consument hier uit eigen beweging naar op zoek ging. Alles overziend acht de ACM de overtredingen ernstig.”
7.5. Op grond van artikel 6:230n, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek moest Verweerder in deze procedure de feiten stellen en bewijzen, waaruit de geschillencommissie kan afleiden dat de bedoelde informatie aan Eiser is gegeven. Omdat Verweerder dat niet deed en Eiser vertelde dat de klant de bedoelde informatie nooit zag of ontving, moet de geschillencommissie aannemen dat de bedoelde informatie niet aan de klant is gegeven.[1]
7.6. De geschillencommissie vroeg Eiser bij de mondelinge behandeling of ze zich kan verenigen met de toepassing van een maatregel, zoals de vernietiging van de koop. Eiser vertelde dat ze zich daartegen niet verzet. Verweerder liet na om de mondelinge behandeling bij te wonen. De geschillencommissie probeerde Verweerder telefonisch te bereiken, maar dat lukte niet. Verweerder werd via WhatsApp in de gelegenheid gesteld om de mondelinge behandeling alsnog bij te wonen. Verweerder liet na om te reageren. In de gegeven omstandigheden bestaat geen aanleiding om Verweerder (nader) in de gelegenheid te stellen om zich uit te laten over de toepassing van een maatregel, zoals de vernietiging van de koop.[1]
7.7. Uit artikel 6:193c, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek volgt dat Verweerder zich door de schending van de informatieplichten die zijn voorzien in artikel 6:230m, eerste lid, aanhef en onder g en h, van het Burgerlijk Wetboek, zoals dezelve door de Autoriteit Consument en Markt werd uitgelegd, bediende van een oneerlijke handelspraktijk. Daarom is de koop vernietigbaar (artikel 6:193j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek).
7.8. De vernietiging van de koop zal recht doen aan de door Verweerder onbetwist gelaten stellingen en vordering van Eiser. De vernietiging van de koop zal tot gevolg hebben dat de klant de autoradio aan Verweerder moet teruggeven. De vernietiging van de koop zal ook tot gevolg hebben dat Verweerder (het restant van) de koopprijs aan de klant moet terugbetalen (artikel 6:203, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek).13 Daarom zal de geschillencommissie verklaren dat de koop is vernietigd. Verweerder zal worden veroordeeld tot terugbetaling van (het restant van) de koopprijs. Zoals hierna zal blijken, brengt de tegeneis van Verweerder niet mee dat die veroordeling moet worden genuanceerd.
- DE TEGENEIS VAN Verweerder
8.1 Verweerder vordert dat de geschillencommissie verklaart dat ze de koopprijs alleen moet terugbetalen, nadatde Klant bewijst dat de autoradio aan Verweerder is teruggegeven, alsmede dat de Klant wordt veroordeeld tot vergoeding van ‘administratieve en juridische kosten’. De geschillencommissie komt tot de volgende beoordeling.
8.2 De geschillencommissie ziet geen aanleiding om aan de veroordeling tot terugbetaling van de koopprijs de opschortende voorwaarde te verbinden dat de Klant eerst bewijst dat de autoradio aan Verweerder is teruggegeven. Eiser vertelde onbetwist dat Verweerder niet reageerde op de herhaalde verzoeken van de Klant om het retouradres te geven. Daarom zag de Klant zich genoodzaakt om het retouradres zelf te achterhalen.
8.3 Een medewerker van de afdeling Buitenlandse Zendingen van PostNL vertelde de Klant dat de autoradio afkomstig was uit China en kan worden geretourneerd via de postbus van AliExpress. De Klant deed de autoradio daar afleveren. Volgens Verweerder is het door de Klant gevonden retouradres onjuist. De handelwijze van de Klant is, gelet op de houding van Verweerder, niet onbegrijpelijk. De gevolgen daarvan komen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor rekening en risico van Verweerder. De autoradio moet worden verondersteld door de Klant aan Verweerder te zijn teruggegeven.
8.4 De geschillencommissie merkt op dat ook in de overheidsrechtspraak besloten ligt dat de houding van de handelaar ertoe kan leiden dat op enigerlei wijze aan de consument moet worden tegemoetgekomen. De kantonrechter in Den Haag overwoog recent dat de consument de afgeleverde producten aan de handelaar moest teruggeven en eigenlijk moest bewijzen dat aan die verplichting was voldaan. De consument stelde dat hij de afgeleverde producten aan de handelaar had teruggegeven, maar kon dat niet bewijzen. Hij had geen verzend- of ontvangstbewijs gekregen. Omdat de consument pas tweeëneenhalf jaar na de annulering van de koop werd gedagvaard, was hem naar het oordeel van de kantonrechter de mogelijkheid ontnomen om bewijsmiddelen kunnen te verzamelen. Daarom nam de kantonrechter aan dat de consument de afgeleverde producten daadwerkelijk aan de handelaar had teruggegeven. De afwezigheid van bewijsmiddelen kwam voor rekening en risico van de handelaar.[1]
8.5 Ten aanzien van de vordering van Verweerder tot vergoeding van ‘administratieve en juridische kosten’ geldt het volgende. Handelaar moest de feiten stellen en zo nodig bewijzen, waaruit kan worden afgeleid datde Klant kan worden aangesproken tot vergoeding van ‘administratieve en juridische kosten’.[2] Dat geldt ook voor de feiten, waaruit het bestaan en de omvang van de ‘administratieve en juridische kosten’ kunnen worden afgeleid.[3] Dat deed Verweerder niet. Daarom moet haar vordering ook in zoverre worden afgewezen.
9. OVERWEGINGEN TEN OVERVLOEDE
9.1 Hierboven werd vastgesteld dat Handelaar producten verkoopt door dropshipping. De producten worden rechtstreeks vanuit China aan de consumenten afgeleverd. De autoradio is dan ook op die manier aan de Klant afgeleverd. Het fenomeen dropshipping valt onder het bereik van de Verordening Algemene Productveiligheid.[1] De Verordening Algemene Productveiligheid is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten van de Europese Unie.[2]
9.2 Op grond van artikel 19 van de Verordening Algemene Productveiligheid moest het aanbod van de autoradio in de webshop van Handelaar duidelijk en zichtbaar bepaalde informatie aangeven. Die informatieplichten zijn dwingendrechtelijk van aard (vgl. artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie).[3]
9.3 In de preambule van de Verordening Algemene Productveiligheid is geschreven dat ze ertoe strekt om consumenten te beschermen. Daarin is ook geschreven dat consumenten moeten kunnen beschikken over geschikte instrumenten en maatregelen om de naleving van de Verordening Algemene Productveiligheid te kunnen afdwingen. In artikel 1 van de Verordening Algemene Productveiligheid is geschreven dat ze tot doel heeft om een hoog niveau van consumentenbescherming te bieden.
9.4 In zijn ook hierboven aangehaald arrest (voetnoot 8) oordeelde de Hoge Raad, op basis van vergelijkbare overwegingen, dat de overheidsrechter moet beoordelen of de handelaar voldeed aan de (toepasselijke) essentiële informatieplichten die zijn voorzien in Afdeling 6.5.2b van het Burgerlijk Wetboek en aan één of meer schending(en) daarvan een passende maatregel moet verbinden.[1] Die verplichtingen gelden ook voor de geschillencommissie (vgl. artikel 10, eerste lid, van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten).21
9.5 Daarbij komt dat de overheidsrechter verplicht is om de rechten die consumenten aan communautaire verordeningen kunnen ontlenen te beschermen.[1] Daarom ligt voor de hand dat de overheidsrechter en de geschillencommissie in gevallen als het onderhavige, waarin sprake is van dropshipping, moeten beoordelen of de handelaar voldeed aan de informatieplichten die zijn voorzien in artikel 19 van de Verordening Algemene Productveiligheid en aan één of meer schending(en) daarvan een passende maatregel moeten verbinden. Een andere opvatting lijkt onverenigbaar te zijn met het communautair recht.
9.6 Uit de door Verweerder gegeven informatie kan niet worden afgeleid dat ze voldeed aan de laatstbedoelde informatieplichten. Aan één of meer schending(en) daarvan zal evenwel, in het concrete geval, geen maatregel worden verbonden. De geschillencommissie zal reeds verklaren dat de koop is vernietigd en beslissen dat Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de koopprijs. Een verdergaande betalingsverplichting zou het karakter dragen van een bestraffende boete die het resultaat zal zijn van een criminal charge in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.[2] Een zodanige maatregel mag niet zonder tussenkomst van de overheidsrechter worden opgelegd.[3], [4]
10. DE CONTRACTUELE BOETE
10.1 Op grond van artikel 11 van het procesreglement kan de geschillencommissie aan een veroordeling tot een doen of nalaten een contractuele boete verbinden om de nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren. De contractuele boete is zonder voorafgaande ingebrekestelling opeisbaar als de veroordeling niet tijdig wordt nagekomen.
10.2 Verweerder was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling. Handelaar was telefonisch onbereikbaar. Handelaar reageerde niet via WhatsApp. Daarom kan de geschillencommissie niet aannemen dat Verweerder de beslissing van de geschillencommissie zonder meer tijdig zal nakomen en bestaat aanleiding om een boete op te leggen. De boete zal € 5,00 bedragen per dag(deel) dat Audioplay de beslissing van de geschillencommissie niet tijdig nakomt.
11. DE KOSTEN VAN DEZE PROCEDURE
11.1 Op grond van artikel 12 van het procesreglement kan de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de proceskosten. De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten kunnen bestaan in het door de begunstigde partij betaalde vastrecht, een tegemoetkoming in de onkosten van rechtsbijstand en de onkosten van het horen van een getuige, een deskundigenbericht of het horen van een deskundige.
11.2 Verweerder zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Eiser te begroten op € 25,00 voor vastrecht.
12. DE BESLISSING
12.1 De geschillencommissie:
in conventie
- verklaart, dat de koop is vernietigd;
- beslist, dat Verweerder wordt veroordeeld om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting en binnen veertien dagen na de publicatie van de beslissing van de geschillencommissie in het portaal van Stichting DigiDispuut, aan de Klant te betalen een bedrag groot € 39,95;
- beslist, dat Handelaar wordt veroordeeld om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de Klant te betalen een contractuele boete groot € 5,00 per dag(deel) dat Verweerder de onder (II) van het dictum van de beslissing van de geschillencommissie niet tijdig nakomt;
in reconventie
- beslist, dat de vorderingen van Verweerder worden afgewezen;
in conventie en reconventie
Pagina
- beslist, dat Handelaar wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Eiser begroot op € 25,00 voor vastrecht; en
- beslist, dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Deze beslissing is gegeven door G. Küpeli, bindend adviseur in Apeldoorn en M.V. Hazekamp, bindend adviseur in Delden (Gemeente Hof van Twente), als leden van de geschillencommissie.
Tegen de beslissing van de geschillencommissie staat geen rechtsmiddel open. De beslissing is bindend. Op grond van art. 7:904 lid 1 BW is de beslissing vernietigbaar, als zij door de inhoud daarvan of de manier waarop zij tot stand gekomen is, zo zeer gebrekkig is dat de gebondenheid daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Op grond van art. 4 van het Procesreglement moet een vordering tot vernietiging van de beslissing van de geschillencommissie bij de overheidsrechter aanhangig zijn gemaakt binnen twee maanden na de verzending van de beslissing van de geschillencommissie aan partijen. Voor meer informatie over uw rechten en plichten kunt u contact opnemen met het Juridisch Loket of een rechtsbijstandverlener naar keuze.
[1] HvJ EG 14 december 1971, ECLI:EU:C:1971:122, § 9 (Politi).
[2] Vgl. I. Giesen, ‘Punitive Damages: bestraffend en dus een ‘criminal charge’, maar wat dan?’, AV&S 2015/23, p. 145.
[3] EHRM 3 oktober 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:1003JUD003756897, § 67 (Böhmer/Duitsland).
[4] Dat is mogelijk anders, als beslissing tot oplegging van een punitieve boete door de overheidsrechter kan worden getoetst (EHRM 21 februari 1984, ECLI:CE:ECHR:1984:0221JUD000854479, § 56 (Öztürk/Duitsland)). Echter, aan de beslissing van de geschillencommissie kan alleen in bijzondere gevallen door de overheidsrechter worden voorbijgegaan (vgl. artikel 7:904, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).
[1] HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, rov. 3.1.1 e.v., NJ 2022/89, m.nt. C.M.D.S. Pavillon. 21 Vgl. D.P.C.M. Hellegers & T.H.M. van Wechem, ‘Moeten bindend adviseurs in consumentenkwesties ambtshalve toetsen op straffe van vernietigbaarheid van het bindend advies?’, Contracteren 2022/2, p.
48 e.v.
[1] Vgl. G.M. Veldt, Europese productnormen en privaatrechtelijke normstelling (diss. Leiden), Deventer:
Wolters Kluwer 2020, p. 103.
[2] Kamerstukken II 2024/25, 36 665, nr. 3, p. 1 e.v.
[3] Vgl. HvJ EU 8 november 2016, ECLI:EU:C:2016:838, § 44 (Lesoochranárske zoskupenie VLK).
[1] Ktr. Den Haag 21 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16214, rov. 4.7 e.v., www.rechtspraak.nl.
[2] HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1065, rov. 3.2, NJ 2001/572, m.nt. M.M. Mendel.
[3] HR 13 december 2002, ECLI:HR:NL:2002:AE9243, rov. 3.6.1, NJ 2003/212.
[1] Vgl. Ktr. Amersfoort 9 september 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:3797, rov. 3.7, www.rechtspraak.nl. 13 HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1355, rov. 4.8.9, NJ 2025/87, m.nt. M.B.M. Loos.
[1] Vgl. Ktr. Zaanstad 5 juni 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6179, rov. 2.6, www.rechtspraak.nl.
[1] Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 2 mei 2025, nr. ACM/UIT/647808, p. 2 e.v., www.acm.nl.
[1] HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, rov. 3.1.1 e.v., NJ 2022/89, m.nt. C.M.D.S. Pavillon. 9 Vgl. D.P.C.M. Hellegers & T.H.M. van Wechem, ‘Moeten bindend adviseurs in consumentenkwesties ambtshalve toetsen op straffe van vernietigbaarheid van het bindend advies?’, Contracteren 2022/2, p. 48 e.v.
[1] K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. II) (diss.
Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2004, p. 271.
[2] HR 17 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1880, rov. 3.4, NJ 1996/143 (Buijs/Koene).
[3] HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:822, rov. 3.6, NJ 2023/190.
[1] Vgl. HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2922, rov. 3.7, NJ 1999/694, m.nt. H.J. Snijders (Bewijsrecht in de verzoekschriftprocedure).
[1] Geschillencie 5 juni 2023, nr. 00145, rov. 4.2, www.digidispuut.nl.
[1] Hof Den Haag 3 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:817, www.rechtspraak.nl.
