Beslissing 192: Non-conformiteit bij defect opbergbankje
Onderwerp van het geschil
Consument heeft van Ondernemer gekocht het product “Opbergbankje met naam”, met de bedoeling deze beschikbaar te stellen voor gebruik door de kleindochter van Consument. Enerzijds gesteld en anderzijds onbetwist is dat binnen twee weken na ontvangst van het product, het deksel van het opbergbankje is ontwricht. De geschillencommissie gaat uit van bovenstaande feiten, naar analoge werking van art. 149 Rv.
Inzake is aangeleverd:
– Een memorie van eis.
Op 19 augustus 2024 is het geschil aangemeld bij Stichting DigiDispuut.
Standpunt van Consument
Consument stelt dat de ontwrichting van het deksel van het opbergbankje niet te rijmen valt met verwachtingen van het product. Consument wijst in het bijzonder op de advertentie van het product, waarin staat dat deze “kan tegen een stootje”. Ook wijst consument op de leeftijdscategorie die wordt benoemd in de advertentie, te weten 1,5 tot 4,5 jaar, waarbinnen haar kleindochter (3,5 jaar) valt.
Naast deze omschrijving van Consument van haar verwachtingen van het product, alsmede haar onderbouwing voor die verwachtingen, bevat de memorie van eis ook een omschrijving van het gebruik van het product. Consument stelt dat haar kleindochter met het product heeft gespeeld en er op heeft gezeten, hetgeen volgens Consument onder normaal gebruik van het product valt, alsmede dat het deksel is ontwricht door slechte fabricage. Tenslotte bevat de memorie van eis beeldmateriaal van de schade aan het product.
Consument eist vervanging van het product, dan wel volledige restitutie inclusief proceskosten.
Standpunt van Ondernemer
In casu heeft Ondernemer geen verweer gevoerd.
Beoordeling van het geschil
In deze zaak gaat het om een consumentenkoop in de zin van art. 7:5 BW: “de koop met betrekking tot een roerende zaak die wordt gesloten door een verkoper die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit en een koper, natuurlijk persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit”.
Dit brengt met zich mee dat een gebrek dat zich binnen een jaar na levering van het artikel openbaart, geacht reeds bij levering te hebben bestaan, aldus art. 7:18a lid 2 BW: “Bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak of de zaak met digitale elementen bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien de afwijking van hetgeen is overeengekomen zich binnen één jaar na aflevering openbaart, tenzij de verkoper anders aantoont of de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet.”
Aan de hand van haar stelling en de toevoeging van beeldmateriaal heeft consument aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een gebrek aan het product. Ondernemer heeft de geschillencommissie geen aanleiding gegeven om te vermoeden dat het gebrek aan het product niet op het moment van levering bestond. Conform art. 7:18a lid 2 BW acht de geschillencommissie daarom dat de afwijking latent in het product aanwezig was, waardoor het niet aan de overeenkomst heeft, beantwoordt. Op grond van art. 7:21 lid 1 sub c BW komt consument het recht toe om, gezien bovenstaande, vervanging van de afgeleverde zaak te eisen: “Beantwoordt het afgeleverde niet aan de overeenkomst, dan kan de koper eisen: vervanging van de afgeleverde zaak, tenzij de afwijking van het overeengekomene te gering is om dit te rechtvaardigen, dan wel de zaak na het tijdstip dat de koper redelijkerwijze met ongedaanmaking rekening moet houden, teniet of achteruit is gegaan doordat hij niet als een zorgvuldig schuldenaar voor het behoud ervan heeft gezorgd.”.
Beslissing
De geschillencommissie beslist dat:
- Ondernemer de afgeleverde zaak in casu op eigen kosten vervangt.
- Ondernemer kan kiezen om aan Consument een bedrag groot €75,98 te betalen. Indien Ondernemer dit doet, vervalt de onder punt 1 omschreven verplichting.
- Ondernemer betaald aan Consument de proceskosten, gesteld op €25 aan de zijde van Consument.
- Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Aldus beslist door DigiDispuut op dinsdag 10 september 2024.
Tegen de beslissing van de geschillencommissie staat geen rechtsmiddel open. De beslissing is bindend. Op grond van art. 7:904 lid 1 BW is de beslissing vernietigbaar, als zij door de inhoud daarvan of op de manier waarop zij tot stand gekomen is, zo gebrekkig is dat de gebondenheid daaraan naar maatstaven van redelijkheid en bindendheid onaanvaardbaar zou zijn. Op grond van art. 4 Procesreglement moet een vordering tot vernietiging van de beslissing van de geschillencommissie bij de overheidsrechter aanhangig zijn gemaakt binnen twee maanden na de verzending van de beslissing van de geschillencommissie aan de partijen. Voor meer informatie over uw rechten en plichten kunt u contact opnemen met het Juridisch Loket of een rechtsbijstandverlener naar keuze.
