From the Blog

Beslissing 225: Uitspraak PVC-vloer

STICHTING DIGIDISPUUT

Enschede

Beslissing van de geschillencommissie van 11 augustus 2025

In de zaak van

  1. Eiser,

 

Eiseres,

 

tegen

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Verweerder.

 

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure volgt uit:

  • de memorie van eis (met bijlage(n)) van De Eisers;
  • het memorie van antwoord (met bijlage(n)) van Verweerder;
  • het bericht van de geschillencommissie van 28 mei 2025;
  • de mondelinge behandeling van 10 juni 2025;
  • de akte uitlaten (met bijlage(n)) van Verweerder;
  • het bericht van de geschillencommissie van 26 juni 2025; – de akte uitlaten (met bijlage(n)) van De Eisers.

1.2. Ten slotte werd de beslissing bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of (onvoldoende gemotiveerd) betwist gaat de geschillencommissie uit van de volgende vaststaande feiten.

2.2. De Eisers. kochten een PVC-vloer van Verweerder. De overeengekomen en betaalde prijs in geld bedraagt € 2.753,10. Verweerder ging over tot aflevering van de PVC-vloer. De Eisers. beklaagden zich bij Verweerder over de kwaliteit van de afgeleverde PVC-vloer.

2.3. Verweerder ging over tot aflevering van een vervangende PVC-vloer. Eén jaar en twee maanden na de aflevering werden (beginnende) schotelvorming en openingen tussen de PVC-vloerplaten zichtbaar. De Eisers. stelden Verweerder in de gelegenheid om de gebreken op te lossen. Verweerder ging daartoe, om haar moverende redenen, niet over.

2.4. De gebreken werden beoordeeld door de producent van de vervangende PVC-vloer en een deskundige. De producent van de vervangende PVC-vloer verklaarde dat de schotelvorming en openingen ‘mogelijk het resultaat zijn van de afwezigheid van voldoende expansieruimte’. De deskundige verklaarde dat de schotelvorming en openingen ‘waarschijnlijk het resultaat zijn van een te hoge temperatuur van de vloerverwarming’.

3. Het geschil

3.1. De Eisers. eisen dat de geschillencommissie beslist dat Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de overeengekomen en betaalde prijs in geld. De Eisers. vinden dat de vervangende PVC-vloer niet beantwoordt aan de overeenkomst, omdat de kwaliteit niet goed is. Volgens De Eisers. is sprake van (beginnende) schotelvorming en openingen tussen de PVC-vloerplaten. De schotelvorming en openingen werden één jaar en twee maanden na de aflevering zichtbaar, aldus nog steeds De Eisers.

3.2. Verweerder vindt dat de eis van De Eisers. niet-ontvankelijk is of moet worden afgewezen. Volgens Verweerder werd de vervangende PVC-vloer gelegd in strijd met de leginstructies of was de temperatuur van de vloerverwarming te hoog. Verweerder denkt dat de schotelvorming en openingen daarvan het resultaat zijn en verwijst naar de verslagen van de producent van de vervangende PVC-vloer en een deskundige. Als de kwaliteit van de vervangende PVC-vloer niet goed is, vindt Verweerder dat de overeenkomst werd gesloten met de inmiddels opgeheven vennootschap onder firma V.o.f, zodat de verkeerde partij in deze procedure werd betrokken. Bovendien zou de klachtplicht zijn geschonden. Volgens Verweerder moeten De Eisers. dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.3. Bij de mondelinge behandeling vertelde Verweerder ten slotte dat ze wenst dat de vervangende PVC-vloer door De Eisers. wordt teruggegeven, als de geschillencommissie onverhoopt beslist dat de overeenkomst wordt vernietigd of ontbonden. Die wens werd door de geschillencommissie begrepen als een tegeneis.

3.4. De tegeneis van Verweerder werd te laat ingesteld (artikel 8 van het Procesreglement), maar met het oog op het belang van De Eisers. en Verweerder bij een goede oplossing van het geschil en na toestemming van De Eisers. toch in behandeling genomen. Daarbij werd ook betekenis gehecht aan de relatief informeel karakter[1] van deze procedure.

3.5. Op de stellingen van de partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

 

4. De beoordeling

De bevoegdheid van de geschillencommissie

4.1. De overheidsrechter bepaalde dat de geschillencommissie zo nodig uit zich zelf moet onderzoeken of ze bevoegd is om een geschil te behandelen en te beslissen. Als dat zo is, moet de geschillencommissie ook de omvang van haar bevoegdheid vaststellen.[2]

4.2. De geschillencommissie gebruikt een procesreglement. Op grond daarvan is ze alleen bevoegd om geschillen te behandelen en te beslissen die te maken hebben met een overeenkomst op afstand in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder e, van het Burgerlijk Wetboek of een overeenkomst buiten de verkoopruimte in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder f, van het Burgerlijk Wetboek, die bovendien een consumentenkoop is in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek en waarop Nederlands recht van toepassing is. De waarde van de eis moet ten minste € 25,00 zijn en ten hoogste € 25.000,00 (artikel 5 van het Procesreglement).

4.3. De geschillencommissie behandelt en beslist geschillen door onzuiver bindend advies als bedoeld in artikel 7:900, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. De beslissing van de geschillencommissie is een vaststellingovereenkomst, waaraan de partijen zijn gebonden. Dat staat in artikel 3 van het Procesreglement. De beslissing van de geschillencommissie is vergelijkbaar met een beslissing van de overheidsrechter.[3] Op grond van artikel 17 van de Grondwet hebben De Eisers. en Verweerder het recht op toegang tot de overheidsrechter.[4] Ze kunnen niet tegen hun wil van de overheidsrechter worden weggehouden. Nodig is dat ze vrijwillig en duidelijk afstand doen van hun recht op toegang tot de overheidsrechter.[5]

[1] P.E. Ernste, Bindend advies (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2012, p. 7 e.v.

[2] Hof Den Haag 3 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:817, www.rechtspraak.nl.

[3] Vgl. P.E. Ernste, Bindend advies (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2012, p. 1.

[4] Kamerstukken II 2015/16, 34 517, nr. 3, p. 14.

[5] HR 9 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2752, NJ 2001/692.

4.4. De Eisers. en Verweerder legden hun standpunten (verder) uit bij de mondelinge behandeling. De geschillencommissie wees hen op hun recht op toegang tot de overheidsrechter en de verschillen tussen onzuiver bindend advies en overheidsrechtspraak.

4.5. De geschillencommissie stelde samen met De Eisers. en Verweerder vast dat de door hen gesloten overeenkomst wel een consumentenkoop is in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek, maar geen overeenkomst op afstand in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder e, van het Burgerlijk Wetboek of een overeenkomst buiten de verkoopruimte in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder f, van het Burgerlijk Wetboek. De overeenkomst werd gesloten binnen de verkoopruimte van Verweerder. De Eisers. en (een vertegenwoordiger van) Verweerder waren daarbij aanwezig.

4.6. De geschillencommissie vertelde De Eisers. en Verweerder dat ze eigenlijk niet bevoegd is om het geschil te behandelen en te beslissen. De Eisers. en Verweerder vertelden toch te willen dat de geschillencommissie het geschil behandelt en beslist. De Eisers. en Verweerder deden dus vrijwillig en duidelijk afstand van hun recht op toegang tot de overheidsrechter. Daarom stelde de geschillencommissie vast dat ze bevoegd is om het geschil te behandelen en te beslissen.

De omvang van de bevoegdheid van de geschillencommissie

4.7. De geschillencommissie is gebonden aan de geldende wet- en regelgeving. Daaronder vallen ook de algemene beginselen voor procedures en de regels van het bewijsrecht die zijn vastgelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat staat in artikel 6 van het Procesreglement en draagt bij aan de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van justitiabelen, zoals De Wilde-Proper c.s. en HPB.[1] Ongelijke beslissingen in gelijke of vergelijkbare gevallen door de toepassing van verschillende bewijsregels, kunnen onrechtvaardig worden gevonden.[2]

4.8. De geschillencommissie moet zoeken naar een zo goed mogelijke oplossing van het geschil. Daarbij past een ruime bevoegdheid om met De Eisers. en Verweerder mee te denken. De geschillencommissie mag bijvoorbeeld een beslissing nemen die afwijkt van hetgeen De Eisers. en Verweerder over en weer eisen.[3] De rol van de geschillencommissie verschilt in zoverre van die van de overheidsrechter. De overheidsrechter is gebonden aan hetgeen de partijen over en weer eisen en mag daarvan niet afwijken.[4] De geschillencommissie moet hoor en wederhoor toepassen, zoals de overheidsrechter dat ook zou hebben gedaan.10

[1] Vgl. HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2922, rov. 3.7, NJ 1999/694, m.nt. H.J. Snijders (Bewijsrecht in de verzoekschriftprocedure).

[2] K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. II) (diss.

Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2004, p. 271.

[3] HR 17 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1880, rov. 3.4, NJ 1996/143 (Buijs/Koene).

[4] HR 24 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1895, rov. 5, NJ 1996/160 (Tromp/Regency). 10 HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:822, rov. 3.6, NJ 2023/190.

4.9. De geschillencommissie zal het geschil nu (inhoudelijk) behandelen en beslissen.

De eis van De Eisers.

4.10. Het meest verstrekkend verweer van Verweerder is dat de overeenkomst werd gesloten met Verweerder, zodat de verkeerde partij in deze procedure werd betrokken. Daar kwam Verweerder achter bij de mondelinge behandeling. De geschillencommissie besprak de door De Eisers. ingebrachte factuur. Daarop zijn de betaalgegevens van Verweerder afgedrukt. Verweerder nam Verweerder  over, maar daarmee niet vanzelfsprekend al haar verplichten, aldus nog steeds Verweerder. Volgens Verweerder zijn De Eisers. dan ook niet-ontvankelijk.

4.11. Verweerder vertelde in haar akte uitlaten dat wel degelijk de juiste partij in deze procedure werd betrokken, omdat ze de verplichtingen overnam van Verweerder. De geschillencommissie ziet aanleiding om duidelijkheid te scheppen om zo een geschil over de gebondenheid van Verweerder aan de beslissing van de geschillencommissie en daarmee een mogelijke gerechtelijke procedure bij de overheidsrechter te kunnen voorkomen.

4.12. De vraag wie partij is (geworden)[1] bij een overeenkomst moet worden beantwoord aan de hand van hetgeen DeEisers. en Verweerder aan elkaar vertelden en uit elkaars verklaringen en gedragingen begrepen en mochten begrijpen.[2] Daarbij kan ook betekenis toekomen aan verklaringen en gedragingen die plaatshadden na het sluiten van de overeenkomst.[3] Aan de hand van die maatstaven moet worden onderzocht of Verweerder partij is (geworden) bij de overeenkomst en welke partij in deze procedure moest worden betrokken.

4.13. Verweerder vertelde dat ze de klacht van De Eisers. deed onderzoeken door de producent van de vervangende PVC-vloer en een deskundige. Ze bood ook aan om aan de klacht tegemoet te komen, door een korting aan te bieden. Ze probeerde ten slotte om een minnelijke regeling te bereiken. De Eisers. brachten ook correspondentie in. Ze communiceerden steeds met een medewerker, die bij de mondelinge behandeling vertelde als verkoopmedewerker werkzaam te zijn voor Verweerder. Hij maakte gebruik van een e-mailadres met daarin de handelsnaam van Verweerder. Verweerder nam ook de verplichtingen over van Handelaar.

4.14. Daarom moet worden geoordeeld dat Verweerder partij is (geworden) bij de overeenkomst en de juiste partij in deze procedure werd betrokken. De enkele omstandigheid dat op de factuur de betaalgegevens van Handelaar zijn afgedrukt maakt dat niet anders.[4] Overigens zou een ander oordeel niet hebben meegebracht dat De Eisers. niet-ontvankelijk zijn. Er is in zoverre sprake van een inhoudelijk verweer dat ten hoogste kan leiden tot afwijzing.[1]

[1] Hof Arnhem-Leeuwarden 1 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:763, rov. 6.3, www.rechtspraak.nl.

[2] HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521, m.nt. G.J. Scholten (Kribbebijter).

[3] HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615, rov. 3.2, NJ 2021/345 (X/Solidiam).

[4] Vgl. Ktr. Arnhem 18 oktober 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:5665, rov. 6.4, www.rechtspraak.nl.

 

4.15. Volgens Verweerder zijn De Eisers. toch niet-ontvankelijk, omdat de klachtplicht werd geschonden. Verweerder verwees naar artikel 7:23 van het Burgerlijk Wetboek en vertelde dat teveel tijd was verstreken na het sluiten van de overeenkomst toen De Eisers klaagden over de kwaliteit van de vervangende PVC-vloer. Ook in zoverre is sprake van een inhoudelijk verweer en niet van een verweer dat kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring.16

4.16. Verweerder moest de feiten stellen en zo nodig bewijzen waaruit kan worden afgeleid op welk moment de mogelijke gebreken door De Eisers. werden ontdekt of moesten worden ontdekt. Verweerder moest ook de feiten stellen en zo nodig bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat het tijdsverloop tussen dat moment en de klacht zo lang was dat hun rechten waren vervallen.[2] Daarom kan de geschillencommissie op basis van hetgeen Verweerder vertelde niet oordelen dat de klachtplicht werd geschonden en evenmin dat sprake is van verval van recht.

4.17. De eis van De Eisers. kan in beginsel worden toegewezen als komt vast te staan dat de kwaliteit van de vervangende PVC-vloer niet goed is. De Eisers. kunnen dan bevoegd zijn tot ontbinding van de overeenkomst of vermindering van de koopprijs. Daarvoor is, voor zover dat mogelijk is en van Verweerder mag worden verwacht, wel nodig dat Verweerder niet binnen een redelijke tijd overging tot herstel van de eventuele gebreken of aflevering van een goede PVC-vloer (artikel 7:22, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). Als de overeenkomst wordt ontbonden zal Verweerder verplicht zijn om de koopprijs terug te geven (artikel 7:22, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek).

4.18. Het samenstel van artikel 7:10, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 7:17, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek moet zo worden uitgelegd dat de vervangende PVCvloer op het moment van aflevering moest beantwoorden aan de overeenkomst.[3] De vervangende PVC-vloer beantwoordt bijvoorbeeld niet aan de overeenkomst, als dezelve op het moment van aflevering niet de eigenschappen bezat die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan De Eisers. de aanwezigheid niet behoefden te betwijfelen (artikel 7:17, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek).

[1] O.m. Rb. Rotterdam 18 oktober 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:9715, rov. 4.2, Prg. 2023/326. 16 Vgl. HR 22 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1104, rov. 3.3, NJ 1994/374, m.nt. H.E. Ras

(Staat/G.).

[2] HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, rov. 5.6.2 e.v. (FAR Trading/Edco).

[3] Vgl. W.H.M. Reehuis, E.E. Slob & C.J. van Zeben (red.), Parlementaire Geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Invoering Boeken 3, 5 en 6. Boek 7. Bijzondere overeenkomsten. Titels 1, 7, 9 en 14, Deventer: Wolters Kluwer 1991, p. 118.

 

4.19. Alle eventuele gebreken die na de aflevering ontstonden, komen bijna altijd voor rekening van De Eisers Dat is anders als De Eisers. in de gegeven omstandigheden niet behoefden te verwachten dat de gebreken binnen de verstreken tijd zouden ontstaan.[1]

4.20. De Eisers. moesten de feiten stellen en zo nodig bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat de vervangende PVC-vloer op het moment van aflevering niet beantwoordde aan de overeenkomst.[2] Omdat de schotelvorming en openingen, zoals De Eisers. onbetwist stelden, één jaar en twee maanden na de aflevering zichtbaar werden, komt geen betekenis toe aan het bewijsvermoeden dat is voorzien in artikel 7:18a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Aan bewijslast wordt evenwel, zoals hierna zal blijken, niet toegekomen.

4.21. Volgens De Eisers. is sprake van (beginnende) schotelvorming en openingen tussen de PVC-vloerplaten. De schotelvorming en openingen werden één jaar en twee maanden na de aflevering zichtbaar. Eén en ander werd door Verweerder niet ontkend. Daarbij komt dat de deskundige verklaarde dat dezelve ‘op sommige plekken schotelt’ en ‘direct opvalt dat sommige van de PVC-vloerplaten niet aansluiten’. De producent van de vervangende PVC-vloer verklaarde dat ‘de vervangende PVC-vloer op meerdere plekken uit zijn verbinding is geraakt’. Daarom kan de geschillencommissie niet anders dan vaststellen dat sprake is van (beginnende) schotelvorming en openingen tussen de PVC-vloerplaten.

4.22. Een feit van algemene bekendheid en algemene ervaringsregel is dat PVC-vloeren duurzaam plegen te zijn en juist daarom vaak worden gekocht. Uit verschillende algemeen toegankelijke bronnen moet worden afgeleid dat een gemiddelde, behoorlijk onderhouden PVC-vloer ten minste vijftien jaar moet kunnen meegaan.[3] De Eisers. behoefden niet te verwachten dat de vervangende PVC-vloer één jaar en twee maanden na de aflevering begon te schotelen en openingen vertoonde tussen de PVC-vloerplaten.

4.23. Naar het oordeel van de geschillencommissie staat in de gegeven omstandigheden voorshands vast dat de vervangende PVC-vloer op het moment van aflevering niet de eigenschappen bezat die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan De Eisers de aanwezigheid niet behoefden te betwijfelen.[4]

4.24. Volgens Verweerder werd de vervangende PVC-vloer gelegd in strijd met de leginstructies of was de temperatuur van de vloerverwarming te hoog. Verweerder denkt dat de schotelvorming en openingen daarvan het resultaat zijn en verwijst naar de verslagen van de producent van de openingen daarvan het resultaat zijn en verwijst naar de verslagen van de producent van de vervangende PVC-vloer en een deskundige. De producent van de vervangende PVC-vloer verklaarde dat de schotelvorming en openingen ‘mogelijk het resultaat zijn van de afwezigheid van voldoende expansieruimte’. De deskundige verklaarde dat de schotelvorming en openingen ‘waarschijnlijk het resultaat zijn van een te hoge temperatuur van de vloerverwarming’.

[1] HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2410, rov. 3.9.3, NJ 2010/258, m.nt. Jac. Hijma (Gomes e.a./Rental).

[2] Ktr. Zwolle 16 maart 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:1439, rov. 4.4, www.rechtspraak.nl.

[3] Https://vloer-raam.nl/blog/hoe-lang-gaan-pvc-vloeren-mee/; https://ambiant.nl/inspiratie/blog/hoelang-gaat-een-pvc-vloer-mee; en https://stilefloors.nl/blogs/5-dos-en-donts-voor-de-levensduur-van-jepvc-vloer/; https://certovloeren.nl/blog/levensduur-pvc-vloer/.

[4] Vgl. Hof Den Haag 11 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2179, rov. 6.3 e.v., www.rechtspraak.nl.   23 HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1510, rov. 3.4, NJ 2020/359 (A./Gemeente Sluis).

 

4.25. Zowel de producent van de vervangende PVC-vloer als de deskundige beschreven dus alleen mogelijke oorzaken, die bovendien van elkaar verschillen. Daarom vindt de geschillencommissie dat Verweerder onvoldoende gemotiveerd stelde dat de vervangende PVC-vloer werd gelegd in strijd met de leginstructies of de temperatuur van de vloerverwarming te hoog was. Aan die stelling moet dan ook geheel worden voorbijgegaan. De Eisers. hoeven niet te bewijzen dat de PVC-vloer werd gelegd in overeenstemming met de leginstructies en evenmin dat de temperatuur van de vloerverwarming niet te hoog was.23

4.26. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de vervangende PVC-vloer op het moment van aflevering niet beantwoordde aan de overeenkomst. De Eisers. vertelden dat Verweerder in de gelegenheid werd gesteld om de gebreken op te lossen, maar daartoe niet overging. De Eisers. bedoelden klaarblijkelijk te verwijzen naar de e-mails van 27 december 2024 en 10 januari 2025. Verweerder vindt ook in deze procedure dat ze niet is gehouden tot herstel van de gebreken. Daarom stelt de geschillencommissie vast dat Verweerder, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, naliet om de gebreken binnen een redelijke tijd op te lossen.

4.27. Verweerder stelde geen feiten die kunnen meebrengen dat een oplossing niet voorhanden is, dan wel ontbinding van de overeenkomst niet gerechtvaardigd is. Dat lag wel op haar weg.[1] De geschillencommissie zal dan ook verklaren dat de overeenkomst is ontbonden en beslissen dat Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de overeengekomen en betaalde prijs in geld.

4.28. Verweerder zal in conventie als de in het ongelijk te stellen worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van De Eisers. te begroten op € 25,00 voor vastrecht. De geschillencommissie verwijst naar artikel 12 van het Procesreglement.

De wettelijke informatieplichten

4.29. Omdat de geschillencommissie zal verklaren dat de overeenkomst is ontbonden en beslissen dat Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de overeengekomen en betaalde prijs in geld, ziet de geschillencommissie geen aanleiding om (uit zich zelf) te beoordelen of Verweerder voldeed aan de (toepasselijke) informatieplichten die zijn voorzien in artikel 6:230k van het Burgerlijk Wetboek. De geschillencommissie kan daartoe wel zijn gehouden,[1] maar de meest verstrekkende gevolgtrekking die kan worden verbonden aan een schending van de (toepasselijke) informatieplichten, namelijk die van algehele vernietiging van de overeenkomst,[2] kan niet leiden tot een voor De Eisers. gunstiger resultaat dan een verbintenis tot terugbetaling van de overeengekomen en betaalde prijs in geld (vgl. artikel 6:203, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek).

[1] Vgl. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, rov. 3.6, NJ 2019/446, m.nt. Jac. Hijma (Tenzijarrest).

[2] Vgl. HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, rov. 3.1.15, NJ 2022/89, m.nt. C.M.D.S. Pavillon.

De tegeneis van Verweerder

4.30. Omdat de geschillencommissie zal verklaren dat de overeenkomst is ontbonden, zal ze ook beslissen dat De Eisers. worden veroordeeld tot teruggave van de vervangende PVC-vloer. De daarmee verknoopte kosten komen voor rekening van Verweerder (artikel 7:22, zevende lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek). De tegeneis van Verweerder ligt dan ook voor toewijzing gereed. De zojuist bedoelde veroordeling brengt mee dat Verweerder bevoegd is tot opschorting van de nakoming van haar verbintenis tot terugbetaling van de overeengekomen en betaalde prijs in geld, zolang (a) de vervangende PVC-vloer niet door haar is ontvangen of (b) De Eisers. aan haar geen bewijs van verzending van de vervangende PVC-vloer verstrekten (vgl. artikel 7:22, zevende lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek).

4.31. De Eisers. zullen in reconventie als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Verweerder te begroten op nihil. De geschillencommissie verwijst opnieuw naar artikel 12 van het Procesreglement.

4.32. De geschillencommissie overweegt ten overvloede en ter voorkoming van een volgend geschil, dat De Eisers. in beginsel niet zullen zijn gehouden tot vergoeding van de eventuele waardevermindering van de vervangende PVC-vloer. Dat kan anders zijn, als ze dezelve onzorgvuldig behandelden, zodra ze rekening moesten houden met de ontbinding van de overeenkomst (vgl. artikel 7:10, derde en vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek).

 

5. De beslissing

5.1. De geschillencommissie:

in conventie

  1. verklaart, dat de overeenkomst is ontbonden;
  2. beslist, dat Verweerder wordt veroordeeld om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan De Eisers. te betalen een bedrag groot € 2.753,10;
  3. beslist, dat Verweerder wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van De Eisers. begroot op € 25,00 voor vastrecht;
  4. beslist, dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

in reconventie

  1. beslist, dat De Eisers. worden veroordeeld tot teruggave van de vervangende PVC-vloer aan Verweerder;
  2. beslist, dat Verweerder bevoegd is tot opschorting van de nakoming van haar verbintenis tot terugbetaling van de overeengekomen en betaalde prijs in geld, zolang (a) de vervangende PVC-vloer niet door haar is ontvangen of (b) De Eisers. aan haar geen bewijs van verzending van de vervangende PVC-vloer verstrekten; en
  3. beslist, dat De Eisers. worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Verweerder begroot op nihil;
  4. beslist, dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

 

Deze beslissing is gegeven door M.V. Hazekamp, bindend adviseur in Delden (Gemeente Hof van Twente), als lid van de geschillencommissie.

 

Tegen de beslissing van de geschillencommissie staat geen rechtsmiddel open. De beslissing is bindend. Op grond van art. 7:904 lid 1 BW is de beslissing vernietigbaar, als zij door de inhoud daarvan of de manier waarop zij tot stand gekomen is, zo zeer gebrekkig is dat de gebondenheid daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Op grond van art. 4 van het Procesreglement moet een vordering tot vernietiging

beslissing van de geschillencommissie bij de overheidsrechter aanhangig zijn gemaakt binnen twee maanden na de verzending van de beslissing van de geschillencommissie aan partijen. Voor meer informatie over uw rechten en plichten kunt u contact opnemen met het Juridisch Loket of een rechtsbijstandverlener naar keuze.