Beslissing 263: Vervanging elektrische laadoplossing
STICHTING DIGIDISPUUT
Enschede
BESLISSING VAN DE GESCHILLENCOMMISSIE VAN 3 FEBRUARI 2026
In de zaak van
Consument, eisende partij in persoon procederend
tegen:
Handelaar, verwerende partij
| De inhoud van deze beslissing | |
| Onderwerp: | Randnummer(s): |
| De samenvatting | 1.1 en verder |
| Het verloop van de procedure | 2.1 en verder |
| De vaststaande feiten | 3.1 en verder |
| Het geschil | 4.1 en verder |
| De beoordeling | 5.1 en verder |
| De bevoegdheid van de geschillencommissie | 5.1 en verder |
| De omvang van de bevoegdheid van de geschillencommissie | 5.5 en verder |
| De wettelijke informatieplichten | 5.8 en verder |
| De vordering van Consument | 5.10 en verder |
| De beslissing | 6.1 en verder |
1. De samenvatting
1.1. In deze beslissing wordt beoordeeld of Handelaar verplicht is om een oplader te vervangen die ongeveer anderhalf jaar na de aflevering is kapotgegaan. De geschillencommissie beslist dat Handelaar de oplader moet vervangen door een oplader die op het moment van aflevering aan de overeenkomst beantwoordt. Gelet op de verwachte levensduur van de oplader hoefde Consument in de gegeven omstandigheden niet te verwachten dat het gebrek binnen de verstreken periode zou ontstaan. Daarom stelt de geschillencommissie vast dat de oplader op het moment van aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Handelaar heeft wel gesteld, maar niet bewezen dat het gebrek is veroorzaakt door een omstandigheid die niet aan haar kan worden toegerekend. Als Handelaar moet worden gevolgd in haar stelling dat het gebrek niet onder het bereik valt van de afgesproken garantie, moet worden opgemerkt dat aan de garantiebepalingen in dit geval geen betekenis kan toekomen.
2. Het verloop van de procedure
2.1. Het verloop van de procedure volgt uit de informatie in het portaal en de digitale mondelinge behandeling. De digitale mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 2 februari 2026 en is bijgewoond door Consument en een vertegenwoordiger van Handelaar. Consument en Handelaar hebben hun standpunten toegelicht en de vragen van de geschillencommissie beantwoord. Aan het eind van de mondelinge behandeling is de beslissing bepaald.
3. De vaststaande feiten
3.1. Als door de ene partij gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende gemotiveerd ontkend, gaat de geschillencommissie uit van de volgende feiten.
3.2. Consument is geen ondernemer. Handelaar is een rechtspersoon met een onderneming. Consument heeft een oplader gekocht van Handelaar. Met de oplader kan een elektrische auto worden opgeladen. De overeenkomst is gesloten via de website van Handelaar. Consument en Handelaar hebben elkaar nooit in het echt gezien. De koopprijs van de oplader is € 829,95. De oplader is afgeleverd. De oplader is ongeveer anderhalf jaar na de aflevering kapotgegaan. De oplader kan niet meer worden gebruikt. De oplader moet ongeveer tien tot vijftien jaar kunnen meegaan. Als het gebrek onder het bereik valt van de afgesproken garantie, zal de leverancier zorgen voor een andere oplader.
4. Het geschil
4.1. Consument wil dat de oplader wordt vervangen door een oplader die goed werkt. Consument heeft gesteld dat de oplader ongeveer anderhalf jaar na de aflevering is kapotgegaan. Volgens Consument moet de oplader ongeveer tien tot vijftien jaar kunnen meegaan.
4.2. Handelaar vindt dat Consument geen recht heeft op vervanging van de oplader. Handelaar heeft gesteld dat het gebrek het resultaat is van een spanningspiek in het net en niet van een fout van de installateur of Consument. Handelaar heeft gewezen op een verslag van de leverancier, maar heeft daarbij opgemerkt dat de leverancier de oplader niet zelf heeft onderzocht. Handelaar heeft het verslag van de leverancier niet in de procedure gebracht. Ze heeft wel enkele zinnen geciteerd. Handelaar heeft aangeboden om het verslag van de leverancier alsnog in de procedure te brengen. De ondernemer beroept zich ten slotte op de garantiebepalingen. Volgens haar valt het gebrek niet onder het bereik van de afgesproken garantie. Als het gebrek onder het bereik valt van de afgesproken garantie, zal de leverancier zorgen voor een andere oplader.
4.3. Consument heeft ontkend dat het gebrek het resultaat is van een spanningspiek in het net. Volgens hem zijn er geen stoppen doorgeslagen en zijn alle andere elektrische apparaten in de woning altijd blijven werken. Hij zegt dat er ook niets is gebeurd met de aardlekschakelaar.
4.4. De stellingen van Consument en Handelaar worden hierna verder besproken.
5. De beoordeling
De bevoegdheid van de geschillencommissie
5.1. De geschillencommissie behandelt en beslist geschillen in de vorm van onzuiver bindend advies. De beslissing van de geschillencommissie is een vaststellingsovereenkomst (artikel 7:900, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). Consument en Handelaar zullen daaraan gebonden zijn. Consument en Handelaar hebben recht op toegang tot de overheidsrechter. Ze mogen niet zomaar worden weggehouden van de overheidsrechter (artikel 17 van de Grondwet). Consument en Ondernemer moeten vrijwillig en duidelijk afstand hebben gedaan van hun recht op toegang tot de overheidsrechter (Hoge Raad 9 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2752, punt 3.4.2). De geschillencommissie moet zo nodig uit zich zelf beoordelen of dat het geval is (vergelijk Gerechtshof Den Haag 3 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:817, punt 11).
5.2. De geschillencommissie heeft gezien dat Consument bij de start van de procedure uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn recht op toegang tot de overheidsrechter. Hij heeft een daarvoor bestemd vakje aangevinkt. De geschillencommissie is bekend met de algemene voorwaarden van Handelaar. Daaruit volgt dat ook Handelaar uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van haar recht op toegang tot de overheidsrechter. De geschillencommissie heeft geen aanleiding om te denken dat Consument of Handelaar onder druk is gezet. Daarom stelt de geschillencommissie vast dat zowel Consument als Ondernemer vrijwillig en duidelijk afstand hebben gedaan van hun recht op toegang tot de overheidsrechter.
5.3. Consument en Handelaar hebben ingestemd met de toepasselijkheid van het Procesreglement. Op grond daarvan kan de geschillencommissie het geschil alleen behandelen als de overeenkomst een overeenkomst op afstand is in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder e, van het Burgerlijk Wetboek of een overeenkomst buiten de verkoopruimte in de zin van artikel 6:230g, aanhef en onder f, van het Burgerlijk Wetboek. De waarde van het geschil moet ten minste € 25,00 zijn en ten hoogste € 25.000,00. Dat staat in artikel 1, aanhef en onder 7° en 8°, van het Procesreglement en artikel 5 van het Procesreglement).
5.4. Consument en Ondernemer zijn het erover eens dat de overeenkomst een overeenkomst op afstand is in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder e, van het Burgerlijk Wetboek. Consument is geen ondernemer. Handelaar is een rechtspersoon met een onderneming. De overeenkomst is gesloten via de website van Handelaar. Consument en Ondernemer hebben elkaar nooit in het echt gezien. De waarde van het geschil is € 829,95. Dat is namelijk de koopprijs van de oplader. Daarom kan de geschillencommissie het geschil behandelen en beslissen.
De omvang van de bevoegdheid van de geschillencommissie
5.5. In het Procesreglement staat ook dat de geschillencommissie het geschil in principe moet behandelen aan de hand van de geldende wet- en regelgeving. Daaronder vallen ook de algemene voorschriften voor procedures en de algemene regels van het bewijsrecht die zijn vastgelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 6 van het Procesreglement). Dat draagt bij aan de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van rechtszoekenden (vergelijk Hoge Raad 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2922, punt 3.7). Er is geen andere afspraak gemaakt. Daarom bestaat geen aanleiding om af te wijken van de geldende wet- en regelgeving.
5.6. De geschillencommissie moet zoeken naar een zo goed mogelijke oplossing van het geschil. Daarbij past een ruime bevoegdheid om met Consument en Handelaar mee te denken. De geschillencommissie mag bijvoorbeeld een beslissing nemen die afwijkt van de oplossing die Consument voor ogen heeft (Hoge Raad 17 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1880, punt 3.4). De geschillencommissie moet hoor en wederhoor toepassen, zoals de overheidsrechter dat ook zou hebben gedaan (Hoge Raad 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:822, punt 3.6). De geschillencommissie zal het geschil nu inhoudelijk behandelen en beslissen.
5.7. Consument is geen ondernemer. Handelaar is een rechtspersoon met een onderneming. Daarom moet de geschillencommissie zo nodig uit zich zelf aandacht besteden aan de wettelijke bepalingen van openbare orde die de Consument beschermen (artikel 10, eerste lid, van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten).
De wettelijke informatieplichten
5.8. Hierboven is vastgesteld dat de overeenkomst een overeenkomst op afstand is in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, aanhef en onder e, van het Burgerlijk Wetboek. Daarom moet de geschillencommissie zo nodig uit zich zelf beoordelen of Handelaar de belangrijkste informatieplichten is nagekomen die zijn vastgelegd in Afdeling 6.5.2b van het Burgerlijk Wetboek. Als dat niet het geval is, moet in principe een passende maatregel worden opgelegd. Dat volgt uit artikel 10, eerste lid, van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten en is door de kantonrechter in Amsterdam bevestigd (Kantonrechter Amsterdam 14 februari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:605, punt 12).
5.9. Handelaar heeft erkend dat ze de belangrijkste informatieplichten niet is nagekomen. De geschillencommissie heeft voorgesteld om een maatregel op te leggen. Zowel Consument als Handelaar hebben zich daartegen verzet. Consument wil nog steeds vervanging van de oplader. Dat moet de geschillencommissie respecteren (vergelijk Hoge Raad 12 november 2021 ECLI:NL:HR:2021:1677, punt 3.1.18). De geschillencommissie merkt wel op dat Ondernemer in een eerder geschil heeft beloofd om de belangrijkste informatieplichten in de toekomst na te komen. Dat is nog niet gelukt. De geschillencommissie geeft Ondernemer in overweging dat de Autoriteit Consument en Markt kan ingrijpen door de oplegging van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete (artikel 2.9 van de Wet handhaving consumentenbescherming).
De vordering van Consument
5.10. Consument wil dat de oplader wordt vervangen door een oplader die goed werkt. Handelaar vindt dat Consument geen recht heeft op vervanging van de oplader. De geschillencommissie zal beslissen dat Handelaar de oplader moet vervangen door een oplader die op het moment van aflevering aan de overeenkomst beantwoordt. Dat legt de geschillencommissie hierna uit.
5.11. De oplader moet op het moment van aflevering aan de overeenkomst beantwoorden. De oplader beantwoordt bijvoorbeeld niet aan de overeenkomst als hij op het moment van aflevering niet de eigenschappen bezit die Consument op grond van de overeenkomst mag verwachten. Consument mag verwachten dat de oplader op het moment van aflevering de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet hoeft te betwijfelen (artikel 7:17, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). Soms komt betekenis toe aan een gebrek dat na de aflevering ontstaat. Dat is het geval als de koper in de gegeven omstandigheden niet hoefde te verwachten dat het gebrek binnen de verstreken periode zou ontstaan (Hoge Raad 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2410, punt 3.9.3). Als vaststaat dat de oplader op het moment van aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, heeft Consument in principe recht op vervanging van de oplader (artikel 7:21, eerste lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek).
5.12. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet Consument de feiten stellen en zo nodig bewijzen, waaruit kan volgen dat de oplader op het moment van aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord (Hoge Raad 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2414, punt 3.6). Soms moet worden vermoed dat de zaak op het moment van aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Dat is het geval als de overeenkomst een consumentenkoop is en het gebrek binnen één jaar na de aflevering ontstaat (artikel 7:18a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). De verkoper moet dan bewijzen dat de zaak op het moment van aflevering aan de overeenkomst heeft beantwoord (Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1666, punt 3.2).
5.13. Consument heeft gesteld dat de oplader ongeveer anderhalf jaar na de aflevering is kapotgegaan. Volgens Consument moet de oplader ongeveer tien tot vijftien jaar kunnen meegaan. Omdat Handelaar dat niet heeft ontkend, moet de geschillencommissie daarvan uitgaan (artikel 149, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Bewijs is niet nodig (Hoge Raad 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:796, punt 3.3). Een oplader die niet kan worden gebruikt, bezit niet de eigenschappen die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan Consument de aanwezigheid niet hoeft te betwijfelen (vergelijk Rechtbank Overijssel 5 februari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:1156, punt 5.12). Gelet op de verwachte levensduur van de oplader hoefde Consument in de gegeven omstandigheden niet te verwachten dat het gebrek binnen de verstreken periode zou ontstaan. Daarom stelt de geschillencommissie vast dat de oplader op het moment van aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord.
5.14. Handelaar heeft gesteld dat het gebrek het resultaat is van een spanningspiek in het net en niet van een fout van de installateur of Consument. Handelaar zegt eigenlijk dat het gebrek is veroorzaakt door een omstandigheid die niet aan haar kan worden toegerekend. Dat is een bevrijdend verweer (Gerechtshof Den Haag 4 mei 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1668, punt 41). Consument heeft ontkend dat het gebrek het resultaat is van een spanningspiek in het net. Volgens hem zijn er geen stoppen doorgeslagen en zijn alle andere elektrische apparaten in de woning altijd blijven werken. Hij zegt ook dat er niets is gebeurd met de aardlekschakelaar. De ontkenning van Consument is voldoende gemotiveerd. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet Handelaar bewijzen dat het gebrek het resultaat is van een spanningspiek in het net. Dat moet ten minste voldoende aannemelijk worden gemaakt (vergelijk Hoge Raad 26 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:220, punt 3.4.3).
5.15. De geschillencommissie heeft geen bewijsmiddelen gezien, waaruit kan volgen dat het gebrek het resultaat is van een spanningspiek in het net. Handelaar heeft wel gewezen op een verslag van de leverancier, maar heeft daarbij opgemerkt dat de leverancier de oplader niet zelf heeft onderzocht. Uit de stellingen van Handelaar kan worden afgeleid dat de leverancier een eigen belang heeft bij de uitkomst van deze procedure. Als het gebrek onder het bereik valt van de afgesproken garantie, zal de leverancier zorgen voor een andere oplader. Daarom kan worden getwijfeld aan de onafhankelijkheid van de leverancier en heeft zijn verslag geen overtuigende bewijskracht (vergelijk Gerechtshof Arnhem–Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3855, punt 2.12). Omdat de leverancier de oplader niet zelf heeft onderzocht, heeft zijn verslag ook om die reden geen overtuigende bewijskracht (vergelijk Gerechtshof Arnhem–Leeuwarden 18 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1669, punt 2.15).
5.16. Het verslag van de leverancier kan bij gebrek aan overtuigende bewijskracht niet leiden tot een andere uitkomst van deze procedure. Daarom wordt het aanbod van Handelaar om het verslag van de leverancier alsnog in de procedure te brengen als niet ter zake dienend gepasseerd (vergelijk Hoge Raad 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4830, punt 3.8.2). Bij deze stand van zaken moet de geschillencommissie ervan uitgaan dat het gebrek is veroorzaakt door een omstandigheid die aan Handelaar kan worden toegerekend.
5.17. Als Handelaar moet worden gevolgd in haar stelling dat het gebrek niet onder het bereik valt van de afgesproken garantie, moet worden opgemerkt dat aan de garantiebepalingen in dit geval geen betekenis kan toekomen. De overeenkomst is een consumentenkoop. Hierboven is al overwogen dat de oplader op het moment van aflevering aan de overeenkomst moet beantwoorden. Als dat niet het geval is heeft Consument in principe recht op vervanging van de oplader. Dat recht mag niet in een overeenkomst of algemene voorwaarden worden uitgesloten of beperkt (artikel 7:6, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Als dat wel gebeurt moet de geschillencommissie de ongeldige bepaling zo nodig uit zich zelf buiten beschouwing laten (vergelijk Kantonrechter Tilburg 9 oktober 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6890, punt 4.14).
5.18. De geschillencommissie heeft geen aanleiding om te oordelen dat het gebrek te gering is om vervanging van de oplader te kunnen rechtvaardigen. Er is ook niet gesteld of gebleken dat Consument niet goed voor de oplader heeft gezorgd nadat hij in redelijkheid moest weten dat de oplader moest worden vervangen. Daarom moet de geschillencommissie beslissen dat Handelaar de oplader moet vervangen door een oplader die op het moment van aflevering aan de overeenkomst beantwoordt. Consument wordt dus in het gelijk gesteld.
5.19. Handelaar wordt in het ongelijk gesteld. Daarom moet ze de kosten vergoeden die Consument heeft gemaakt om de procedure te kunnen voeren (artikel 12 van het Procesreglement). Consument heeft € 25,00 betaald voor vastrecht. Consument heeft geen andere kosten gemaakt.
6. De beslissing
6.1. De geschillencommissie:
- beslist dat Handelaar de oplader moet vervangen door een oplader die op het moment van aflevering aan de overeenkomst beantwoordt;
- beslist dat Handelaar de kosten moet vergoeden die Consument heeft gemaakt om de procedure te kunnen starten, namelijk € 25,00 voor vastrecht;
- beslist dat het meer of anders gevorderde niet wordt toegewezen.
6.2. Deze beslissing is genomen door M.V. Hazekamp als lid van de geschillencommissie van Stichting DigiDispuut. Deze beslissing wordt op 3 februari 2026 aan de partijen verzonden.
W.g. Hazekamp bindend adviseur
